Posts tonen met het label Universiteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Universiteit. Alle posts tonen

woensdag 9 februari 2022

Verengelsing van ons Hoger Onderwijs

Deze tekst is een persoonlijke mening en weerspiegelt niet noodzakelijk de houding van de KU Leuven of opleidingen aan de KU Leuven waar ik bij betrokken ben als docent.

De verengelsing van ons hoger onderwijs is al een tijdje aan de gang. Weliswaar heeft de wetgever één en ander verankerd in de vorm van een maximaal aantal opleidingen dat in een andere taal dan het Nederlands kan worden aangeboden en een maximaal aantal anderstalige vakken dat in een Nederlandstalige opleiding mag staan, maar de instellingen van hoger onderwijs hebben hier steeds creatieve omwegen voor verzonnen. De trein der verengelsing dendert onherroepelijk verder.

Wat me zorgen baart is niet zozeer het gebruik van Engels in het hoger onderwijs, maar wel het gebruik van uitsluitend Engels. We dreigen op die manier een belangrijke component van ons onderwijssyteem – Nederlandstalig hoger onderwijs – langzamerhand verloren te zien gaan.

De vraag die men zich kan stellen is of dit erg is. Voorstanders van de verengelsing vinden uiteraard van niet, en halen vaak het argument van de internationalisering en globalisering aan. Een universiteit opereert nu eenmaal in een internationale omgeving, en dus kan men niet anders dan alle opleidingen in het Engels aan te bieden. There is no alternative! Maar is dit wel zo? Zitten we niet teveel vast in een eenheidsdenken?

Argumenten pro of contra verengelsing zijn grofweg onder te brengen in diverse categorieën:

  • Het al dan niet naleven (naar de geest of de letter) van de geldende taalwetgeving betreffende het hoger onderwijs;
  • Didactische gevolgen van onderwijs in een taal anders dan de moedertaal van vele studenten en docenten; 
  • Operationele optimalisatie: het al dan niet dubbel geven van vakken, of al dan niet in stand houden van opleidingen enkel op papier; 
  • Strategie van een universiteit of opleiding, vaak ingegeven door financieringsmechanismen en/of de plaats op de internationale rankings; 
  • Maatschappelijke consequenties van hoger onderwijs in een andere taal dan het merendeel van de bevolking.

Laten we op elk van deze thema’s wat dieper ingaan.

Huidige taalregeling.

De huidige taalregeling en -wetgeving is duidelijk. Een beperkt aantal bachelor- en masteropleidingen (uitgedrukt als percentage van het totale aantal) kan aangeboden in een andere taal dan het Nederlands. Maar een opleiding of een vak op papier betekent niet steeds dat die opleiding of dat vak ook effectief wordt aangeboden. Zogenaamde spookvakken en zelfs hele spookopleidingen zijn gangbaar geworden, en tot nu toe gedoogd door de universiteiten zelf.

Vaak wordt over het hoofd gezien dat een Nederlandstalige opleiding zelf ook tot 50% van de opleidingsonderdelen in een andere taal mag aanbieden (weliswaar met een aantal restricties). Dat laat op zich voldoende ruimte om een anderstalig aanbod in te richten, zonder dat daarom die Nederlandstalige moet verdwijnen.

Een Nederlandstalig vak betekent ook niet dat alle studiemateriaal in het Nederlands moet zijn. Als docent kan je best een anderstalig handboek of teksten gebruiken. Maar de contactmomenten, examens, e.d., moeten wel in het Nederlands plaatsvinden.

Didactiek

Het hoeft weinig betoog dat onderwijs in een andere taal dan je moedertaal, of dat nu aan studenten- of docentenkant is, een aantal nadelen heeft. Studies in Nederland tonen aan dat een Nederlandstalige student 50% minder woordenschat beheerst in het Engels, vergeleken met het Nederlands. En alhoewel docenten quasi allemaal een C1-niveau Engels hebben, moeten we ook wel toegeven dat niet elke les in het Engels even vlot gegeven wordt.

Engelstalige opleidingen vragen van internationale studenten vaak een taaltest, om na te gaan of men het Engels beheerst. Maar van Vlaamse studenten in dezelfde opleiding wordt dit doorgaans niet gevraagd. Op termijn is dat verschil natuurlijk niet houdbaar, en zullen ook Vlaamse studenten een test Engels moeten afleggen om toegelaten te worden. Maar wat indien men niet slaagt? Of wat met Vlaamse studenten die minder taalvaardig zijn? Voeren we dan taalfaciliteiten in, naar voorbeeld van de vele andere faciliteiten die nu ook reeds bestaan?

Er wordt ook wel aangevoerd dat we enkel masteropleidingen verengelsen, maar dat de bacheloropleidingen wel degelijke Nederlandstalig blijven. Echter, het hellend vlak loert hier om de hoek. En nadien zie je zo dat het middelbaar onderwijs zich meer en meer zal richten op Engels “als voorbereiding op de hoger onderwijs”.

We hebben het dan wel over het Engels, maar het zou correcter zijn het te hebben over het EMI (English as a Medium of Instruction), of het ELF (English as a Lingua Franca), waarmee dan bedoeld wordt die subset van het Engels die door niet-Engelstaligen wereldwijd gebruikt wordt. Soms wordt ook wel eens de pejoratieve term Globish gebruikt. Op zich vind ik het gebruik van een beperkter taalregister jammer. Academisch onderwijs is de meest gevorderde vorm van onderwijs, en daar hoort ook een correct taalgebruik bij. Het ontbreken van een uitgebreid vocabularium en mogelijkheid tot nuance impliceert daarbij een aantal beperkingen.

Uiteraard zal niemand ontkennen dat de communicatietaal van de wetenschap het Engels is. Maar onderzoek is iets anders dan onderwijs. En het is niet alsof hele generaties studenten in de afgelopen decennia géén taalvaardigheid in het Engels hadden (of het Frans, of het Duits ...), en daardoor minder kansen zouden gehad hebben op de internationale arbeidsmarkt.

Operationeel

Het langzaamaan uitdoven van ons Nederlandstalig onderwijsaanbod heeft ook te maken met het optimaal benutten van de tijd van docenten. Een parallel aanbieden van zowel Nederlandstalige en Engelstalige opleidingen betekent natuurlijk een dubbel aantal colleges. Bovendien is er de afgelopen jaren, als gevolg van de internationalisering van onderzoek, een ander pijnpunt ontstaan. Een groter aandeel van onze doctoraatsstudenten, die mee instaan voor didactische begeleiding, is niet Nederlandstalig. Vandaar dat al snel de stap naar verdere verengelsing gezet wordt, ook al omdat in sommige domeinen veel van het studiemateriaal reeds in het Engels is.

Echter, dergelijke beschouwingen kunnen nooit de eerste drijfveer zijn voor het de facto afschaffen van het Nederlandstalig aanbod. Ze kunnen natuurlijk wel in rekening gebracht eens een bepaalde keuze gemaakt is, en op welke manier academisch personeel als gevolg daarvan het best voor didactische taken kan ingezet worden.

Strategie

De globalisering en internationalisering zijn de voornaamste argumenten vóór een steeds verdere verengelsing. Het aantrekken van internationale docenten, onderzoekers, en ook studenten betekent dat we best alles in het Engels organiseren. In één beweging wordt dan ook maar gepleit om de voertaal van de hele universiteit Engels te maken. Of, zoals onlangs het geval was bij een Nederlandse universiteit, het gebruik van Nederlands op de campus volledig af te raden, omdat het niet inclusief genoeg zou zijn.

Eén en ander is natuurlijk ingegeven door diverse factoren, niet in het minst de beruchte rankings. Universiteiten zijn hier ondertussen zowat aan verhangen, en pakken fier uit met de minste beweging in de nieuwst gepubliceerde lijstjes. Maar die rankings hanteren natuurlijk een aantal parameters die internationalisering bevoordelen. Zouden ze dat niet doen, dan smelten een aantal argumenten weg. Inschrijvingsgelden zijn een andere factor. Niet-EER- studenten betalen een hoger inschrijvingsgeld. Die gelden vormen ondertussen een niet onaanzienlijk budget voor individuele opleidingen, in die mate dat er zelfs personeel van kan betaald worden. Het vraagt niet veel verbeeldingskracht om te weten of een opleiding liever een student aantrekt die 6000, dan wel 1000 euro inschrijvingsgeld per jaar betaalt.

Maatschappij

Hier moet het debat werkelijk over gaan. Als je universiteiten of zelfs individuele opleidingen laat beslissen of ze nog een Nederlandstalig equivalent willen aanbieden, worden té vaak de bovenstaande kruideniers- en louter utilitaire argumenten gebruikt. Maar een universiteit opereert natuurlijk in een bredere maatschappij, en staat niet als een ivoren toren op een verheven eilandje.

Fundamenteel moet men zich de volgende vraag stellen: Wat is de maatschappelijke rol van een Vlaamse universiteit, grotendeels gefinancierd met publieke middelen, in een Nederlandstalig taalgebied?

Het gebruik van louter een andere taal dan de taal van de maatschappij houdt het gevaar van vervreemding en elitarisme in. Dreigen we niet een klasse van jonge, hoogopgeleide, internationaal geörienteerde mensen te maken, die nog weinig voeling zal hebben met wat er in de maatschappij leeft? Die niet enkel tijdens de studies, maar ook nadien, misschien nét daarom nog weinig het Nederlands zullen gebruiken?

Wat ook met de diversiteit in de wetenschap? Taal en denkpatronen zijn verweven. Dreigen we met de verengelsing niet in een soort eenheidsdenken terecht te komen? Net zoals verschillende universiteiten een andere invulling geven aan een opleiding in dezelfde discipline, geldt dit ook voor diverse landen en taalgebieden. Opleidingen in verschillende talen creëren een rijker intellectueel landschap, geen enger.

Besluit

Alhoewel er uiteraard diverse argumenten vóór verdere verengelsing te vinden zijn, baart het me sterk zorgen dat dit een pensée unique dreigt te worden. Nederlands als taal in het hoger onderwijs dreigt te verdwijnen, en dit wordt naar mijn aanvoelen té vaak gezien als onvermijdelijk, alsof het de enige weg vooruit is. Zelden wordt er nog geluisterd naar andere argumenten.

Onderwijs – ook hoger onderwijs – in de eigen taal is zou een basisrecht voor de hele bevolking moeten zijn. Nederlandstalig hoger onderwijs is een publiek en gemeenschappelijk goed. De universiteiten kunnen en mogen dit goed naart best vermogen beheren, maar het is niet aan hén om deze verworvenheid eenzijdig af te schaffen.

donderdag 22 januari 2015

Wat betekent een onderscheiding nog?

De examenzittijd is weer volop bezig, en natuurlijk hoort daar het geven van punten bij. Een punt, gegeven op een examen van een individuele student, is op zich betekenisloos zonder context. Wat betekent een 16/20 als elke andere student 17 of meer scoorde? Of wat is de betekenis van een 10/20 als alle andere studenten lager scoorden dan die 10? Zonder context, geen betekenis.
Die context wordt gelukkig wel gegeven door enerzijds het Onderwijs- en Examenreglement van de KU Leuven (de universiteit waar ik doceer), anderzijds door een traditie opgebouwd door de jaren heen. Het Onderwijs- en Examenreglement is vrij summier als het over de beoordelingsschaal gaat. Er wordt gestipuleerd dat een student geslaagd is op een opleidingsonderdeel als hij een kwotering van 10/20 behaalt. Voor kwoteringen van meer dan 10/20 lijkt de enige houvast te zijn dat er een graad van verdienste wordt toegekend. Letterlijk, uit het Onderwijs- en Examenreglement:
Aan een student die het diploma [...] behaalt [...], wordt de volgende graad van verdienste toegekend :
  • op voldoende wijze, als hij minder dan 68% als gewogen percentage behaalt; 
  • onderscheiding, op voorwaarde dat hij ten minste 68% als gewogen percentage behaalt; 
  • grote onderscheiding, op voorwaarde dat hij ten minste 77% als gewogen percentage behaalt; 
  • grootste onderscheiding, op voorwaarde dat hij ten minste 85% als gewogen percentage behaalt; 
  • grootste onderscheiding en de gelukwensen van de examencommissie, op voorwaarde dat hij ten minste 90% als gewogen percentage behaalt.
De verdeling van kwoteringen die een docent toekent, wordt niet toegelicht. Het uitgangspunt is dat elke student op zijn eigen kunnen beoordeeld wordt, onafhankelijk van de andere studenten. We worden geacht geen relatieve kwoteringen te geven, maar wel absolute. In theorie zou het dus mogelijk moeten zijn dat elke student een 18/20 haalt op eenzelfde examen - of zelfs dat geen enkele student zou slagen. Dat klinkt goed, maar in de praktijk botst dit wel eens met de notie van de graad van verdienste. "Onderscheiding" of "Grote Onderscheiding" klinkt mooi. Maar betekent het ook iets? Men zou verwachten dat een student die de graad "Onderscheiding" haalt zich effectief onderscheiden heeft van de rest van de studenten. Maar als iedereen een onderscheiding behaalt, wat dan?

Sinds enkele academiejaren ben ik secretaris van een examencommissie binnen de KU Leuven (Burgerlijk Ingenieur Computerwetenschappen). In juni 2014 hadden we volgende verdeling van de afgestudeerden: Voldoende Wijze (13% van de afgestudeerde studenten), Onderscheiding (54%), Grote Onderscheiding (29%), Grootste Onderscheiding (4%).

Vorige zittijden, of gelijkaardige examencommissies binnen de faculteit ingenieurswetenschappen, laten gelijkaardige cijfers zien. De vraag is of we dit erg moeten vinden? Misschien zijn alle studenten wel gewoon goed? Maar anderzijds druist dit toch een beetje in tegen de subjectieve betekenis die we aan het woordje "onderscheiding" toekennen. Een collega suggereerd me dat daar precies het probleem ligt, en hij suggereerde een ander woordgebruik: Voldoende (13%)  Goed (54%), Zeer Goed (29%) , Excellent (4%). Zo bekeken lijkt het plots allemaal in orde ...

Worden punten hoger doorheen de jaren?

Er is echter wel iets fundamenteler aan de hand. Vele docenten verbazen zich over het hoog aantal graden dat wordt toegekend. Mijn antwoord, als een collega hierover zijn beklag doet, is steeds: "Je had maar niet zo'n hoge punten moeten toekennen." Blijkbaar is er een discrepantie tussen de punten die docenten toekennen, en de verwachtingen die ze hebben over hoe de verdeling van die punten er idealiter zou moeten uitzien.

Zijn de toegekende punten doorheen de jaren dan langzaamaan hoger geworden - een fenomeen dat in de Angelsaksische wereld bekend staat als grade inflation? Dat is moeilijk te achterhalen - tenzij door uitgebreide statistische analyses (die voor sommige landen wel onderzocht is) - maar af en toe vinden we wel aanwijzingen.

Toevallig heb ik in mijn bibliotheek het "Annuaire-Jaarboek 1960-1961 van de KU Leuven" staan, waarin ook alle geslaagde studenten zijn opgenomen, én een verdeling van de graden over de studenten! Blijkbaar was deze informatie toen nog geen welbewaard geheim ... Enkele cijfers, weliswaar voor de volledige universiteit:
  • 1836 (eerste vermeldde jaar, 71(!) studenten): Voldoende (76%), Onderscheiding (14%), Grote Onderscheiding (7%), Grootste Onderscheiding (2.8%)
  • 1880: Voldoende (58%), Onderscheiding (23%), Grote Onderscheiding (9%), Grootste Onderscheiding (9%)
  • 1920: Voldoende (57%), Onderscheiding (28%), Grote Onderscheiding (12%), Grootste Onderscheiding (2.7%)
  • 1960: Voldoende (73%), Onderscheiding (21%), Grote Onderscheiding (5%), Grootste Onderscheiding (0.6%)
Ik laat het aan ieder om hier al dan niet gefundeerde besluiten uit te trekken ...

Moeten we dit erg vinden?

Opnieuw, moeten we dit erg vinden? Zonder context is een cijfer betekenisloos, en de context is ondertussen wel gewijzigd in vergelijking met 5, 20, of 50 jaar geleden. Toekenningen van allerhande beurzen (doctoraat, buitenland, ...) op basis van behaalde punten - en waarbij studenten van verschillende universiteiten met elkaar in concurrentie staan - werken de inflatie in de hand. Uitwisseling van punten in het kader van Europese programma's nopen tot hercalibratie. Maar ook interne maatregelen zoals de nultolerantie in de masterjaren hebben ervoor gezorgd dat het gemiddelde cijfer van een geslaagde student naar boven is verschoven.

Al bij al boeiende materie - maar niet iets waar de gemiddelde student van zal wakker liggen, me dunkt.

dinsdag 22 april 2008

Toelatingseisen

Eventjes geleden dat ik hier wat postte, dus ik heb wat schade in te halen.

Eind maart kwamen er 2 berichten in het nieuws, die op een ietwat pijnlijke manier illustreren hoe het Vlaamse onderweijs door opeenvolgende ministers weinig consistent bestuurd wordt.

"Burgerlijk ingenieurs zijn gemiddeld de slimste van alle studenten", meldden verschillende kranten, gebaseerd op metingen uitgevoerd door het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie (KU Leuven). "Daarin wordt de studieloopbaan van zo'n tienduizend jongeren die rond 1996 in het laatste jaar secundair onderwijs zaten, onder de loep genomen. Zij zijn nu ongeveer dertig jaar. De koppositie van de burgerlijk ingenieurs is een beetje voorspelbaar omdat de toelatingsproeven toen nog bestonden - die zijn in 2004 afgeschaft." Het afschaffen van die toelatingsproeven is er enkel onder politieke druk gekomen. De ingenieursfaculteiten waren tegen, het KVIV was tegen, maar toenmalig minister Vanderpoorten (VLD) was voor. Dus verdween de toelatingsproef, die net zorgde voor een instroom van hoge kwaliteit en grote motivatie.

Anderzijds viel me voglend bericht op:
"De minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke (SP.A), wil strenger toekijken op de selectie van studenten in het hoger kunstonderwijs. Hij stelt voor dat de overheid zelf de toelatingsproeven organiseert." Minister Vandenbroucke wil niet alleen betere toelatingsproeven bij het begin van de opleiding, hij stelt ook voor dat er in sommige opleidingen een tweede selectieproef komt. Die zou dan plaatsvinden tussen het derde en vierde jaar (bij de overgang van bachelor naar master). Welke opleidingen dat zouden kunnen doen, is voer voor verder overleg. De strengere selectie is één manier om de kwaliteit van het studentenpubliek - en dus de opleidingen - te verhogen. (De Standaard, 25 maart 2008).

Zijn er nog mensen die de ironie hiervan inzien? Voor sommige studierichtingen komen er dus extra toelatingseisen om de kwaliteit te verhogen, voor andere (in casu burgerlijk ingenieur) wou men ze weg omdat ze de toelating tot de hogere studies bemoelijken?

Persoonlijk ben ik van mening dat er voor alle studierichtingen toelatingseisen moeten komen. Zeker in de nieuwe Ba-Ma structuur, en de ontwikkelingen binnen de associatie K.U.Leuven die aan de gang zijn, lijkt het me dat er net meer moet gedifferentieerd worden tussen allerhande verschillende opleidingen, niet alleen qua studieprogramma, maar ook qua instroom. Sommigen zullen dit ongetwijfeld elitair vinden, maar het spreekt vanzelf dat de selectie aan de instroom enkel mag gebeuren op basis van intrinsieke kwaliteiten en niet op basis van financiele of sociale achtergrond.

dinsdag 26 februari 2008

Veto

Enkele markante passages uit een dubbelinterview van Veto met Rik Torfs en Klaas Keirse. Een aantal van de uitspraken van Rik Torfs verwoorden op een goede manier wat ik zelf ook over bepaalde aspecten van de universiteit denk ...

Torfs: «Ik denk dat we beiden dezelfde dichotomie zien, al weet ik niet goed hoe we eruit moeten geraken. Op dit moment heb ik het gevoel dat er een zekere instrumentalisering is van de universiteit om vooral de sociale toegang gemakkelijker te maken en dat de balans wat overslaat. Het theoretische concept van de universiteit als instrument om een bepaald opgelegd doel te bereiken lijkt me problematisch. De universiteit moet een doel op zich kunnen zijn. Ik zie parallellen met het cultuurbeleid, waar het er ook vooral om draait steeds grotere groepen te bereiken. Als je niet oplet ga je echter zo ver in allerlei interactieve spelletjes om meer volk aan te trekken dat je je eigenheid gaat verliezen en er kwalitatief op achteruit gaat. Daar moeten we erg voor opletten, want functieverlies van de universiteit kan betekenen dat andere groepen in de samenleving haar functie gaan overnemen. We moeten er immers altijd aan denken dat de universiteit slechts één van de vele actoren is in de samenleving waarvan de inhoud en plaats niet vastliggen.»

...
Torfs: «Ik ben het daar zeker niet mee oneens, maar we moeten wel zeer goed opletten. Want stel, hypothetisch, dat een te grote fixatie op emancipatie tot een lichte kwaliteitsdaling leidt, dan kan dat ertoe leiden dat de werkelijke selectie voor bijvoorbeeld de betere en interessantere jobs zal gaan gebeuren op basis van criteria die niet gedemocratiseerd zijn. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door bijkomende dure opleidingen in de VS, maar ook door selectiecriteria op sollicitaties zoals het vermogen zichzelf te presenteren. Mensen uit hogere milieus van thuis uit hebben hier vaak een voordeel in.»

...
«Een apart probleem dat momenteel vooral opspeelt in de faculteiten recht, economie, geneeskunde en bij de ingenieurs is dat de absolute top van de studenten eerder geneigd is voor de private sector te kiezen dan voor een academische carrière omdat ze daar meer kunnen verdienen. Je hoort me niet zeggen dat professoren te weinig verdienen, maar aan de andere kant kun je de marktwetten ook niet gaan ontkennen. Dus moet ervoor gezorgd worden dat de werkomstandigheden hier des te aangenamer zijn.»

woensdag 19 december 2007

K.U.Leuven beste, maar wel saaiste ...

BRUSSEL 19/12 (BELGA) = De KU Leuven staat bij de laatstejaars uit het secundaire onderwijs te boek als de universiteit met de beste lessen en het meest waardevolle diploma. Maar de KUL is meteen ook de meest conservatieve én de saaiste. Dat blijkt uit een enquête van de Cel Marketingdevies van de KU Leuven bij 1.500 laatstejaarsleerlingen, aldus De Standaard, Het Nieuwsblad en Het Volk woensdag. De Universiteit Gent is de progressiefste van de Vlaamse universiteiten, maar minder goed dan de KU Leuven. Ook zijn haar diploma's minder waard dan de Leuvense, aldus de respondenten. Dat de Leuvense universiteit een imago van degelijk conservatisme heeft, zou gedeeltelijk met de traditie te maken hebben. "We zijn nu eenmaal de oudste universiteit van het land", zegt Isabelle Van Geet, celhoofd marketingadvies van de KU Leuven, in het universiteitsblad
Campuskrant./.SVR/TVP

woensdag 12 december 2007

Universiteit moeten meer uitmuntendheid nastreven ...

... niet mijn uitspraak, maar een uitspraak van professor Emile Boulpaep, professor aan Yale University, en voorzitter van de Belgian American Educational Foundation.

In een interview met De Standaard van 10 december, is professor Boulpaep zeer kritisch over het universiteitssysteem zoals dat in Belgie bestaat. Enkele uitspraken (Copyright DS, 10 december 2007):
'Ten eerste aanvaardt men in België niet dat een universiteit beter kan zijn dan een andere. Hier is dat geheel normaal. Men weet dat een MD van Harvard of Yale beter is dan van een van de universiteit van Arkansas. In België kan dat niet, want alle diploma's zijn officieel van de staat, nu van de gemeenschappen.'

...

'In België werkt men van onder af, met verkiezingen. Zelfs de rector wordt verkozen. In verkiezingen geeft academische uitmuntendheid niet noodzakelijk de doorslag. En ook de studenten worden niet gerekruteerd op verdienste.'

...

'Ze moeten ook voldoende werkingsmiddelen krijgen. Als ik hier als hoofd van een departement een assistent-professor wil aanwerven, dan moet ik hem of haar niet alleen een loon garanderen, maar ook een budget van tenminste een miljoen dollar voor onderzoek. En dat gaat dan over iemand die op de laagste sport begint.'
De verschillen die er zijn tussen het Noord-Amerikaanse model om universiteiten te financieren, en het model dat in een aantal Europese landen gebruikt wordt, zorgt mijn insziens inderdaad voor grote ongelijkheden in een steeds toenemende globaliserend onderwijslandschap. Men kan hier nog steeds niet luidop zeggen dat deze of gene universiteit beter werkt levert dan een andere, terwijl iedereen die verschillen wel degelijk zeer goed kent.

vrijdag 7 december 2007

We're back again... (en citaties once more)

Een blog op een goede manier onderhouden (lees: regelmatig interessante berichten posten), is toch iets tijdrovender dan gedacht. Bijna 4 maand zonder bericht, en geloof het of niet, maar ik word er door sommigen op aangesproken. Ik blijk dus toch een kleine fan-base te hebben. Maar genoeg met de egotripperij!

Om terug in de stemming te komen, iets over wetenschappelijke citaties. Eerder heb ik geblogd over hoe citaties gebruikt worden aan de K.U.Leuven (eerder bericht), en regelmatig wordt er aandacht aan besteed in verscheidene discussiefora. Kern van het probleem is dat beleidsmakers graag citaties tellen, wat dan als graadmeter kan beschouwd worden voor hoe goed je bent als wetenschappelijk onderzoeker. Onafhankelijk van het feit of citaties nu al dan niet een goede graadmeter zijn, stelt zich natuurlijk het probleem hoe te tellen: dubbels vermijden, alles tellen, wat precies tellen, e.d. Misschien onbelangrijk, maar er hangt veel van af. Geldstromen voor wetenschappelijk onderzoek zijn immers in niet onbelangrijke mate gebaseerd op dit soort tellingen.

Een tooltje dat er bij kan helpen is Publish or Perish, dat dan ook nog allerhande statistieken berekent. Een van die statistieken is de h-factor: je h-factor is x, als je x publicaties die minstens elk x maal geciteerd zijn.

Voor de nieuwsgierigen: op dit moment blijkt mijn h-factor 14 te zijn (na een ietwat snelle analyse via Publish or Perish, en hier zijn de bewuste 14 publicaties (met telkens aantal getelde citaties, auteurs, titel, en jaartal). Vermoedelijk ligt het aantal nog ietsje hoger, wegens sommige papers die als verschillende entries in de databases zitten...
  • 74,"P Dutré, P Bekaert, K Bala","Advanced Global Illumination",2003,
  • 64,"B Adams, P Dutré","Interactive boolean operations on surfel-bounded solids",2003
  • 39,"V Masselus, P Peers, P Dutré, YD Willems","Relighting with 4D incident light fields",2003
  • 38,"F Suykens, K Berge, A Lagae, P Dutré","Interactive Rendering with Bidirectional Texture Functions",2003
  • 37,"P Dutré, E Lafortune, YD Willems","Monte Carlo light tracing with direct computation of pixel intensities",1993
  • 34,"M Pauly, R Keiser, B Adams, P Dutré, M Gross, LJ …","Meshless animation of fracturing solids",2005
  • 33,"D Hart, P Dutré, DP Greenberg","Direct illumination with lazy visibility evaluation",1999
  • 27,"P Peers, P Dutré","Wavelet environment matting",2003
  • 22,"V Masselus, P Dutré, F Anrys","The free-form light stage",2002
  • 22,"P Dutré, YD Willems","Importance-driven Monte Carlo Light Tracing",1994
  • 21,"P Dutré, YD Willems","Potential-driven Monte Carlo Particle Tracing for Diffuse Environments with Adaptive Probability …",1996
  • 20,"P Dutré","Mathematical Frameworks and Monte Carlo Algorithms for Global Illumination in Computer Graphics",1996
  • 18,"R Keiser, B Adams, D Gasser, P Bazzi, P Dutré, M …","A Unified Lagrangian Approach to Solid-Fluid Animation",2005
  • 14,"B Adams, M Wicke, P Dutré, M Gross, M Pauly, M …","Interactive 3D painting on point-sampled objects",2004
  • 14,"A Lagae, P Dutré","A procedural object distribution function",2005
Qua aard splitst het zich op als: 1 boek, 1 Ph.D. thesis, 4 SIGGRAPH papers, 1 ACM TOG paper, 1 Computer Graphics Forum, 4 EGSR papers, 2 PBG papers, en 1 Compugraphics paper .

maandag 20 augustus 2007

Nieuwe Ranking van Universiteiten

De nieuwe Shanghai ranking van universiteiten is weer gepubliceerd, en er is hier en daar over bericht in de Belgische pers. Blijkbaar scoren de KUL, UCL, ULB en UGent het beste van de Belgische universiteiten. Ze staan allen ergens tussen plaats 102 en 150. (Mijn eerdere blog-entry over rankings is hier te vinden).

De Vlaamse Vereniging van Studenten reageerde door te stellen dat de rankings geen maat zijn voor onderwijskwaliteit (volledige reactie, en uitgebreid standpunt), en dat het gevaarlijk is om het beleid dat gevoerd wordt t.a.v. universiteiten op deze rankings af te stemmen. Het is ongetwijfeld zo dat de rankings voornamelijk kijken naar geleverd onderzoekswerk. Stellen dat bepaalde disciplines in deze tellingen ondervertegenwoordigd zijn, zoals de VVS zegt, is ongetwijfeld waar, maar dat geldt evengoed voor de andere universiteiten, wiens ranking dan eveneens hierdoor beinvloed wordt.

Fundamenteler is echter de kritiek dat goede onderzoeksoutput (zoals de rankings weergeven) niet zou leiden tot een goede onderwijskwaliteit. Hiermee ben ik het niet eens. Als je een goede universiteitsopleiding wil aanbieden, heb je goede wetenschappers nodig. Hoe exellenter die wetenschappers, hoe beter studenten van hen kunnen leren. Anders kom je in een situatie waarin docenten weinig voeling hebben met het vakgebied waarover ze doceren, en de leerstof zelf 'ook maar uit een boekje hebben'. Dat laatste model is misschien goed als je een universiteitsopleiding enkel ziet als een middel om diploma's uit te delen en iedereen op te tillen tot een gemiddeld niveau; maar als je universiteiten ziet als een centrum waar kennis vergaard wordt, en dooorgegeven wordt aan volgende generaties, heb je mensen nodig die zelf kennis creeeren, en niet enkel navertellen.

Natuurlijk, dit laatste is een misschien hoogdravend statement, en het verhelpt weinig aan het probleem van de briljante wetenschapper die er niet in slaagt op een deftige manier les te geven of op een adequate manier examens af te nemen. maar dat wil niet zeggen dat rankings nietszeggend zijn. Als een universiteit die kwaliteit hoog in het vaandel voert, moeten we de rankings ernstig nemen, en ervoor zorgen dat we beter zijn dan onze onmiddelijke concurrenten op korte termijn, en onze positie op wereldschaal verbeteren op lange termijn.

Voor de nieuwsgierigen, de Shanghai ranking plaats de volgende universiteiten in de top-10: Harvard - Stanford - Berkeley - Cambridge - MIT - Caltech - Columbia - Princeton - Chicago - Oxford. Leuven staat binnen de Europese universiteiten ergens tussen plaats 35 en 56 gerangschikt.

vrijdag 20 juli 2007

Strategisch plan

De K.U.Leuven heeft een strategisch plan voor de komende jaren:
http://www.kuleuven.be/strategie/

Ik heb het nog niet helemaal gelezen, maar ondertussen kan u al meegeneiten van de commentaar van collega Rik Torfs:

(Copyright De Standaard, 19 juli 2007)

DE UNIVERSITEIT IN SPREIDSTAND
Kan een universiteit tegelijk tot de Europese top behoren en aan volksverheffing doen?

Twee jaar na haar aantreden publiceert de bestuursploeg van de KU Leuven een geïntegreerd strategisch plan 2007-2012 (DS 14 juli). Sommige stukken werden overgenomen uit de in gedragen volzinnen geredigeerde tekst die rector Marc Vervenne naar aanleiding van de verkiezingen in het voorjaar van 2005 publiceerde. Er staan ook nieuwe dingen in het plan, doorgaans kort en schematisch geformuleerd in het hedendaagse bestuurlijke jargon. Eenheid van stijl ontbreekt. Maar wie een overzicht wil van de activiteiten van de KU Leuven, wie peilt naar de verzuchtingen van haar bestuurders, of wie zich afvraagt hoe een universiteit vandaag reilt en zeilt, kan uit de lectuur van het beleidsplan lering trekken. Het is een interessant tijdsdocument. Toch mis ik een scherpe analyse van de positie die de universiteit vandaag bekleedt, waardoor een heldere toekomstvisie uiteraard moeilijk wordt. De universiteiten hebben de jongste jaren macht en aanzien verloren. In het plan is daar even sprake van. De 'afkalving van (de) bevoorrechte maatschappelijke positie' komt ter sprake. Ze wordt in verband gezien met 'de afbrokkeling van hun levensbeschouwelijke en morele gezag', wat ik een beetje flauw en algemeen vind klinken. Dat de universiteit onder zeer sterke controle van de overheid staat en haar beleidsopties zonder meer volgt, blijkt vooral tussen de regels door. En dat de laatste jaren de associaties (waarin naast een universiteit ook hogescholen hun plaats hebben) machtiger zijn geworden dan de universiteiten zelf, is een realiteit die wordt verdrongen. Het beleidsplan heeft het weliswaar over een bestuurlijke vervlechting tussen universiteit en hogeschool die stapsgewijs zal verlopen, maar verzwijgt dat de associaties en hun sterke leiders nu al grotendeels de dienst uitmaken. Het lijkt wel dat mijn universiteit zich neerlegt bij dit gegeven dat zij tegelijk niet onderkent. De dominantie van de overheid is ook op een ander vlak zichtbaar. Voor onze politici is de universiteit niet op de eerste plaats een kenniscentrum, maar een instrument om de maatschappelijke integratie te bevorderen. Zoveel mogelijk jongeren moeten participeren (denk maar aan het begrip outputfinanciering), allochtonen en vrouwen dienen uit hun minderheidspositie te worden gehaald. Dat zijn natuurlijk nobele doelstellingen, maar ze mogen de eigen aard van de universiteit niet verdringen. Hetzelfde gebeurt trouwens in andere sectoren van de samenleving. Neem nu cultuur: ze moet zodanig toegankelijk zijn voor iedereen, dat ze niet langer confronterend werkt, en precies op dat ogenblik houdt ze ermee op cultuur te zijn. De universiteit is steeds vaker een middel in plaats van een doel op zich. Daar moeten we ons over bezinnen. De consequenties van de overheidspolitiek zijn immers groot. Ze dwingt universiteiten om onverenigbare dingen na te streven. Ons onderzoek zou tot de 'Europese top' moeten behoren, en tegelijk moeten wij (al te veel) hogescholen op een academisch niveau helpen hijsen. Dat is onmogelijk, tenzij sommige richtingen resoluut voor de kwaliteit mogen gaan, terwijl andere zich vrijwel exclusief op volksverheffing moeten richten. Een derde acuut probleem komt in het Leuvense beleidsplan niet echt boven water: het beeld van de student als consument. In verschillende Vlaamse decreten vormt deze gedachte het impliciete uitgangspunt. De student sluit een contract met een universiteit en wil waar voor zijn geld. Hij wil kristalhelder weten wat hij moet doen om zijn diploma te behalen. Verder geen flauwekul. Dat is, vrees ik, een desastreuze gedachte, die aan het algemeen vormende karakter van de universitaire opleiding voorgoed een einde maakt. Het beleidsplan onderkent dit probleem niet, maar blijft het hebben over de 'ontwikkeling van een eigen levensvisie en levensproject' bij de student. Mooie woorden, een fraaie gedachte ook, maar een gedachte die niet spoort met de positie van de student als contractant. Die heeft perfect het recht om voor een diploma te gaan, zonder dat hij ook maar enigszins een algemene vorming beoogt. Wil de universiteit het anders, dan zal ze daarvoor moeten vechten. De universiteit van vandaag heeft minder macht, is een instrument in handen van de overheid, sluit contracten met de consumerende student. Die analyse moeten wij durven maken, dat is het uitgangspunt. En vervolgens mag de moed ons niet ontbreken om daaruit conclusies te trekken. Dat alles even waardevol is en wederzijds bevruchtend, kwaliteit en kwantiteit, doel en instrument, is een al te gemakkelijk besluit. Die gedachtegang ligt wel in de lijn ligt van het nieuwe beleidsplan, een document waarin pijn ver weg is, wat alleen kan door een heldere visie te vermijden. De veranderde positie van de universiteit leidt overigens tot nog andere vragen, die in het beleidsplan niet aan de orde zijn. Wat is de cruciale vraag in verband met het personeelsbeleid? Wie aan de universiteit werkt, wordt niet rijk. Het is moeilijk om op een krappe arbeidsmarkt goede mensen (niet alleen professoren!) aan te trekken. Zeker, voor artsen, ingenieurs of juristen zijn er mogelijkheden om hun inkomen via klinische praktijk, spin-offs of adviezen wat op te krikken. Maar de kloof met andere sectoren is groot zodat de slimste mensen aan de universiteit houden op een aantal gebieden niet langer mogelijk is. Daarbij komt nog dat een oude troef wegvalt. Vroeger stond tegenover minder geld een pak vrijheid. Vandaag heeft het geen zin om voor een universitaire carrière te kiezen als je niet van administratie houdt. Minder briljante professoren die graag papieren invullen: dat mag de toekomst toch niet zijn? Een beleidsplan moet daarover een visie ontwikkelen. Het profiel van de hoogleraar bepaalt immers hoe de universiteit in de toekomst zal worden bestuurd. Ondersteunt de academische overheid vooral initiatieven van onderuit, of probeert zij zelf de lijnen uit te zetten? Het beleidsplan blijft ook hier rijkelijk vaag: het heeft het over een 'goede balans'. Waarom niet durven kiezen? Creativiteit laat zich niet kooien. De universiteit staat of valt met het charisma en de inspiratie van concrete personen. Een slim beleid is nederig. Het ondersteunt veel, en legt weinig op. Vernieuwing onderkennen is moeilijker dan haar zelf tot stand brengen. Intelligentie is nederig.

maandag 2 juli 2007

K van K.U.Leuven

In De Standaard verscheen dit weekend (30/7/2007) een artikel over de mogelijke intrekking van het predicaat 'Katholiek' van de universiteit door het Vaticaan (artikels via intern persoverzicht K.U.Leuven). Dit naar aanleiding van het werk dat aan de universiteit gebeurt omtrent in-vitro-fertilizatie en gebruik van embryos. Een gevolg van het verlies van naam Katholiek zou ondermeer betekenen dat de opleidingen in de faculteiten Theologie en Kerkelijk Recht niet meer erkend worden door het Vaticaan, wat een significante daling van het aantal (vooral buitenlandse) studenten zou betekenen.

Ik zie echter niet in waarom werk dat gebeurt in de faculteit Geneeskunde een invloed zou kunnen hebben op de opleidingen in de faculteiten Theologie en Kerkelijk Recht. Ik zou veronderstellen dat als het Vaticaan bepaalde accreditaties moet verlenen, ze dit doet op basis van individuele opleidingen, en niet op basis van wat er gebeurt aan een volledige universiteit.

Ik vermoed dat het eventuele verlies van de K van de K.U.Leuven weinigen aan deze universiteit echt zorgen zal baren. Integendeel, het zou onze universiteit een beetje moderner maken en een overblijfsel uit de 19de eeuw wegwerken. Het woordje 'katholiek' in de naam van onze Alma Mater dateert immers van de heroprichting in 1834, na het opheffen van de Rijksuniversiteit die ontstaan was na de Napoleontische periode, en niet uit 1425.

Het is met die K een beetje als met de kleren van de keizer. Het mag niet luidop gezegd worden, maar iedereen weet dat het met het katholieke karakter van de universiteit en haar personeelsleden niet beter gesteld is dan met het katholicisme in de rest van Vlaanderen. Waarom zou het ook? De tijd van de verzuiling ligt al een tijdje achter ons, en bovendien lijkt het niet onlogisch dat er aan de K.U.Leuven verhoudingsgewijs meer atheisten voorkomen dan in andere segmenten van de samenleving. (Exacte) wetenschappers staan nu eenmaal niet bekend voor hun overdreven geloofsovertuiging. In elk geval zou ik niet weten hoe het al dan niet aanwezig zijn van die K mijn werk als docent en onderzoeker zou moeten beinvloeden.

Als het Vaticaan de kwestie toch op de spits drijft, hoop ik in elk geval niet dat de universiteit krampachtig reageert en allerlei toegevingen begint te doen. Pas dan zullen we in de pulieke opinie als een wat achterhaalde universiteit bekeken worden. Laat de K dus maar geruisloos verdwijnen. Veel tromgeroffel hoeft daar niet aan te pas te komen.

(Cartoon Copyright Zaza & De Standaard)

Naschrift 11 juli 2007:

Ondertussen zijn er ook enkele opinie-artikels van collega's verschenen omtrent dit onderwerp (alle links naar intern persoverzicht K.U.Leuven):

DS 5/7/2007: Rik Torfs en Philippe Van Parijs vinden dat de tijd gekomen is voor een lossere band tussen hun universiteiten en het kerkinstituut. 'Alleen op die manier kan een einde komen aan het wederzijdse wantrouwen.'

DS 6/7/2007: Misplaatst hokjesdenken, zo omschrijft Jurgen Mettepenningen het pleidooi van Rik Torfs en Philippe Van Parijs, om de K los te koppelen van de U. 'De K van KU Leuven is geen attribuut dat je zomaar van je af kunt schudden.'


zondag 24 december 2006

Eindejaarsreceptie

De laatste donderdag voor de kerstvakantie vond de eindejaarsreceptie van de universiteit plaats in de Universiteitshallen. Waar vroeger er aparte recepties waren voor ZAP/AAP en ATP, heeft rector Vervenne deze sinds zijn aantreden samengevogd, met als gevolg een overrompeling in de Universiteitshal. Tijdens de toespraak van de rector was de hal dan ook niet stil te krijgen, en gepaard met een zeer slechte akoestiek zorgde dit ervoor dat ik van de toespraak doorheen het geroezemoes amper iets gehoord heb. Bovendien werd ik tijdens de toespraak ook aangeklampt door de steeds sympathieke prof. em. Theo Vanderwaeteren, zodat mijn plan om toch iets van de woorden van de rector op te vangen meteen werd opgeborgen.

Dergelijke grote recepties zijn natuurlijk ook steeds goed om je 'social communication skills' wat aan te scherpen. Omdat ik in het verleden me niet altijd goed in mijn vel voelde in het aanspreken van mensen die je eigenlijk amper kent en het soort van smalltalk dat ermee gepaard gaat, heb ik ooit het volgende boekje gelezen: The Art of Mingling, geschreven door Jeanne Martinet. Ik heb er alleszins interessante weetjes uitgehaald, niet in eht minst dat de meeste mensen hetzelfde soort onzekerheid voelen.

zaterdag 16 december 2006

Xmas lecture

Op zaterdag 16 december organiseerde de Faculteit Wetenschappen haar jaarlijkse Christmas Lecture. Dit jaar was de spreker professor Alan Rowan, chemicus verbonden aan de universiteit van Nijmegen, en actief in het interdisciplinaire gebied van de biochemie en de organische chemie.

Rowan bestudeert onder meer individuele enzymen. Zo slaagde hij erin – samen met een onderzoeksgroep van de K.U.Leuven overigens – de werking van één enkel enzym zes uur lang te volgen: een vetoplosser in een wasmiddel. De informatie die daaruit voortkomt, leert ons veel over de structuur en de werking van enzymen, en toont aan dat ze niet altijd even werkzaam zijn. De vraag is dan ook of enzymen zodanig gewijzigd kunnen worden, dat ze permanent tot hogere prestaties in staat zijn. Hij is vooral ook gespecialiseerd in nanotechnologie. In 2003 ontwikkelde hij samen met zijn collega’s in Nijmegen een nanomachine, een kraalvormige molecule die chemische reacties tot stand kan brengen op polymeren die door de molecule heen lopen. Een van de toepassingen waarvoor nanomachines gebruikt kunnen worden is het aanbrengen van patronen en schakelingen op nanoschaal, om bijvoorbeeld computerchips te maken op moleculaire schaal.

Gedurende de lecture liet hij ook enkele spectaculaire filmpjes zien van de werking van een enkele molecule, alhoewel het publiek niet altijd het verschil merkte (denk ik) tussen feitelijke opnames met een elektronenmicroscoop en computeranimaties ;-)

Op het einde van de zeer goed gegeven lecture volgde er nog een uitspraak van Plutarchus over Archimedes, die de essentie van een goed wetenschapper treffend verwoord:

... being perpetually charmed by his familiar siren, that is, by his geometry, he neglected to eat and drink and took no care of his person; that he was often carried by force to the baths, and when there he would trace geometrical figures in the ashes of the fire, and with his finger draws lines upon his body when it was anointed with oil, being in a state of great ecstasy and divinely possessed by his science.


vrijdag 1 december 2006

Opiniestuk Rector Vervenne en Vice-rector Maex

Vrijdag 1 december verscheen volgend opiniestuk in De Standaard van rector Vervenne en vice-rector Maex a.g.v. de politieke kritiek die er gekomen was op het rapport van de energiecommissie onder voorzitterschap van William D'haeseleer. Ook bij mij persoonlijk zijn de uitspraken van Johan Vandelanotte (zelf verbonden als prof. aan de UGent), in een verkeerd keelgat geschoten. Door het rapport van de commissie als oplichterij af te doen, stelt hij de hele wetenschap in een slecht daglicht.

© 2006 Vlaamse Uitgeversmaatschappij NV
Vrijdag 1 december 2006

De wetenschap verdient ons vertrouwen

IN de discussie rond het voorlopige rapport van de commissie Energie 2030 is de voorbije weken nog maar eens de indruk gewekt dat niets is wat het lijkt. Wat tot stand is gekomen als het resultaat van streng wetenschappelijk onderzoek, wordt omschreven als een bevooroordeelde opinie' die ingegeven zou zijn door particulier belang. Het is zeker verstandig om kritisch te zijn, maar het is destructief de waarde van wetenschappelijk onderzoek te ondermijnen met argumenten die de man spelen. Academisch onderzoek wil immers wetenschappelijke bevindingen vrijwaren van vooringenomenheid, belangenverdediging, externe druk of irrationele emoties. In de discussie die nu gaande is over kernenergie wordt gesuggereerd dat dat een illusie is. Een nefaste suggestie.
Het is een wezenskenmerk van wetenschappelijk onderzoek dat het zich onderwerpt aan strenge procedures die de objectiviteit van de besluiten veilig stellen. En het is kenmerkend voor wetenschappelijk onderzoek dat het zich voortdurend onderwerpt aan het kritische oordeel van wetenschappers die in het vakgebied in kwestie bevoegd zijn. De voortgang van wetenschappelijk onderzoek berust op een voortdurend proces van bevestiging en weerlegging. Daarom laten we het beter aan vakgenoten over om de wetenschappelijke waarde van rapporten te beoordelen.
Het getuigt van weinig realiteitszin te veronderstellen dat wetenschappelijke procedures op zich subjectiviteit volledig uitsluiten. De overheid en de bedrijven die specifieke onderzoeksvragen voorleggen, kunnen belang hebben bij de uitkomst van dat onderzoek. Wetenschappers hebben al lang hun ivoren toren' verlaten. Het is duidelijk dat bij de maatschappelijke valorisatie van onderzoeksresultaten rechtstreekse of onrechtstreekse belangenvermenging kan ontstaan. We moeten dus wel degelijk alles in het werk stellen om het objectieve karakter van dat wetenschappelijk onderzoek tegenover de opdrachtgever te behouden.
Om de integriteit van het onderzoek te garanderen is wetenschappelijke openheid cruciaal. Die vereiste geldt onverkort voor onderzoek dat op bestelling' gebeurt. Alle vakgenoten moeten aan het proces van kennisontwikkeling kunnen deelnemen. Om iedere vooringenomenheid te neutraliseren die door bedrijfs- of overheidsfinanciering zou kunnen ontstaan, is het evenzeer gebruikelijk dat onderzoekers voldoende duidelijkheid verschaffen over de financieringsbronnen voor hun onderzoek. Tegelijk geven zij aan wat hun eventuele persoonlijke belangen zijn in het kader van het onderzoek.
Het is pas als die houding van openheid op een aantoonbare wijze ontbreekt dat de integriteit van de wetenschap en de wetenschapper in het gedrang komen. Pas dan mogen woorden als oplichterij' en stromannen' vallen.
De politieke overheid hecht terecht groot belang aan hoogstaand wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappelijke onderbouwdheid is de beste garantie voor de waarheidsgetrouwheid van bevindingen. Onderzoeksbevindingen die ingaan tegen de politieke agenda mogen echter geen aanleiding zijn om het onderzoek zelf onderuit te halen, om intimiderende commentaren te verspreiden of aan de onderzoeker nadelige financiële gevolgen in het vooruitzicht te stellen.
Hetzelfde geldt voor de industrie. Zij financiert een belangrijk deel van het academisch wetenschappelijk onderzoek. Bedrijven schakelen de wetenschap in om hun doelstellingen bij te sturen of nieuwe richtingen in te slaan. Zelfs al zouden ze bepaalde resultaten verhopen, dan nog moeten ze beseffen dat ze alleen echt gebaat zijn met onderzoek dat aan de strenge eisen van de objectiviteit voldoet. Dat geldt nog meer waar de resultaten van het onderzoek niet gunstig zijn voor de perspectieven van het bedrijf en tot heroriëntatie nopen.
Wij pleiten ervoor het vertrouwen in de wetenschap niet op een onverantwoorde manier te ondergraven. Als dat toch verder zou gebeuren, dreigt wat ons nog aan maatschappelijke dialoog over cruciale kwesties rest bij voorbaat het stempel van onbetrouwbaarheid te krijgen. Het is van groot publiek belang dat te verhinderen.

Marc Vervenne en Karen Maex(De auteurs zijn respectievelijk rector en vicerector exacte wetenschappen van de KU Leuven.)

woensdag 29 november 2006

Van Cauteren Leerstoel

Woensdag 29 november vond de jaarlijkse Van Cauteren leerstoel plaats, ditmaal rond het thema "China: wat zit erin voor Vlaamse ingenieurs ?".

Richard Van Cauteren was een legendarische professor in de ingenieursfaculteit. Om voormalig recotr Oosterlinck te citeren:
Van Cauteren, die intussen overleden is, was voor veel latere ingenieurs een soort vaderfiguur. Zijn sterkte was zijn gezond verstand. Wat hem onderscheidde van anderen was zijn wijsheid, eerder dan zijn kennis. Hij koppelde de fysica aan het echte leven. Dat is belangrijk voor ingenieurs, die toepassingen moeten maken. De rode draad doorheen zijn cursus waren zijn levenslessen. Zo leerden we problemen oplossen. Hij ging ervan uit dat als je een probleem honderd procent wil oplossen, er oneindig veel geld en tijd nodig is. Aangezien dat niet voorhanden is, kun je nooit een honderd procent oplossing bereiken. In deze onvolmaakte wereld moet je daar rekening mee houden.”

Als kind heb ik ongetwijfeld Van Cauteren een paar keer ontmoet, alhoewel ik het me niet meer herinner. De enige echte herinnering was toen ik ongeveer ene halfuurtje met hem gepraat heb tijdens een koffiepauze op het departement Werktuigkunde, waar ik in de zomer van 1986 een zomerstage vervulde. Hij was toen reeds lang met pensioen, maar het gesprek was toch zeer inspirerend.

Terug naar 2006. De lezingen waren vrij interessant, en zijn op bovenvermelde site te bekijken. Wat me wel tegen de borst stootte waren de obligate grapjes die sommige sprekers maakten over het eten met stokjes: "Op het einde van ons bezoek hadden we een master in de chopstickkunde". Dat is vrij beschamend t.a.v. de aanwezige Chinese deelnemers, en het straalt negatief af op de spreker. Alsof eten met stokjes nog steeds een exotisch iets is ...

dinsdag 24 oktober 2006

Faculteitsraad Oktober

Vandaag, 23 oktober, was er de eerste faculteitsraad (FR) van FirW. De FR komt een 4 tot 5 maal per jaar samen, en tenzij ik andere dringender afspraken heb, ben ik meestal wel aanwezig.

Een aantal indrukken, sommige van anekdotische aard:
  1. Het is de gewoonte dat de departmentsvoorzitters vooraan plaatsnemen. Een departementsvoorzitter vond dat dit niet hoefde, en zocht een plaats achteraan in de vergaderzaal, zelfs na een opmerking van de decaan :-) .
  2. Weinig volk op de FR, de studenten waren bijna in de meerderheid, zeker op het moment dat de FR begon. Naarmate het later werd, daagde er meer en meer ZAP op.
  3. Er is tegenwoordig nog weinig echte discussie. De FR bestaat voornamelijk uit mededelingen (beslissingen en discussies op Acamdische Raad, Groepsraad, verscheidene POCS en didactische commissies, e.d.)
  4. Het enige echte moment waar er discussie was, was bij de voorstelling van het opzet van de Arenberg Doctoral School. Maar zelfs na toelichtingen van prof. Josse Debaerdemaker, die het initiatief kwam toelichten, was het de vergadering niet helemaal duidelijk wat het opzet was:
    1. Een nieuw doctoraatsreglement?
    2. Een aanzet om meer doctoraten te behalen? Een reden die hiervoor werd opgegeven is dat het allocatiemodel op niveau universiteit rekening houdt met aantallen doctoraten.
    3. Internationale recrutering van doctoraatsstudenten?
    4. Betere PR ivm doctoreren naar de industrie en grotere publiek (ondermeer naar aanleiding van vrij negatieve pers de voorbije maanden)?
Het is duidelijk, naar aanleiding van de vele vragen en opmerkingen, dat er nog redelijk wat over de Arenberg Doctoral School en het nieuwe doctoraatsreglement zal gediscussieerd worden -- tenzij de ingangsdatum van 1 januari 2007 absoluut moet gehaald worden.